KapOentjes

Sinterklaas is weer in het land. Als we even achterwege laten dat de pepernoten al in de winkels lagen toen wij nog in onze Speedo-met-tijgerprint op de vaderlandse stranden lagen met een goudgele rakker in de hand, is dít de periode in het jaar waarin we de komst van de Goedheiligman vieren.
En traditioneel is dit óók de periode waarin we het meest tegen onze kinderen liegen. We liegen over de herkomst van het presentje in de schoenen van ons kroost en we liegen over de noodzaak iedere avond weer een winterpeen in diezelfde schoen achter te laten. We liegen over die winterpeen voor een of ander supersonisch paard met de klaarblijkelijke krachten waar een aantal van de X-Men bij verbleken, want dit paard kan over daken lopen. We liegen over een of ander duister Pietje dat al in juli kan horen dat de kinderen niet lief zijn. We liegen over een of ander vaag boek waarin die Klikspaan Piet voor Sinterklaas noteert dat het kind niet lief is. We liegen wat af.
Als ongelovige ben ik niet de aangewezen persoon om de 10 Geboden te gaan citeren. Ik ken ze niet uit mijn hoofd, maar ik ben er vrij zeker van dat minstens één Gebod iets te maken heeft met “Gij zult niet liegen tegen Uw goedgelovige kindje”. Met dat in het achterhoofd is het toch op z’n minst een beetje vreemd dat we liegen uit naam van een heilige…

Dr. Phil predikt op TV dat we een vertrouwensband met ons kind moeten opbouwen. Niet zelden promoot de beste man zijdelings zijn nieuwe boek – “nu in de boekhandels of via zijn website te bestellen.” Maar dit terzijde.
We slikken iedere preek van Dr. Phil voor zoete koek. We verslinden massaal artikelen over de nieuwste studies, die wetenschappelijk bewijzen dat het redelijk schadelijk is voor tere kinderzieltjes om op jonge leeftijd het vertrouwen in onze ouders te verliezen. En tóch liegen we gedurende de donkere maanden van het jaar dat het gedrukt staat.

In winkelcentra schallen hoge kinderstemmetjes uit talloze speakers. “Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.” Een jongetje drukte de smartphone van zijn vader achterover en de vader in kwestie refereert aan dit liedje. “Ja,” denkt het ondeugende jongetje, “succes met het downloaden van een roe, als ik je iPhone heb, ouwe.”
Sinterklaasliedjes zijn zelden geüpdate aan onze moderne tijd. Kinderen krijgen geen pak op de billen met een roe; kinderen mogen een week niet op de iPad om te gamen, krijgen een Whats-App-verbod, hun Facebook-account wordt door een boze ouder geblockt. Kinderen krijgen geen slaag, want hebben dit pak op de billen, veelal compleet met foto’s en geluidsfragmenten, via sociaal media verspreid vóór de straffende ouder de corrigerende tik heeft uitgedeeld.
Ik daag liedjes-schrijvend Nederland uit een modern Sinterklaasliedje te schrijven, waardoor de kinderen van vandaag zich wél aangesproken voelen.

We gebruiken de Goedheiligman als pressiemiddel in onze wanhopige pogingen ons tot de rand toe met suikergoed gevulde kroost in toom te houden. “Kom uit die gordijnen, Jantje, anders krijg je niet die Nintendo DS van de Sint.” Uhm, is dat diezelfde Nintendo DS die je al in kleurig inpakpapier hebt verpakt en die in een lade van de linnenkast op 5 december ligt te wachten? Of krijgt dat vervelende kind van je dié Nintendo DS wél, als de Sint hem er geen geeft? En wat als de Sint zich bedenkt? Wat als hij dat blaag van je tóch die DS geeft? Breng je die in je lade dan weer terug? Of geef je je kind er twee, ondanks dat hij er eigenlijk geen één verdiende?
We bedreigen onze kinderen al op jonge leeftijd met een of andere kerel die ze alléén cadeautjes geeft als ze mierzoet en bijna angstaanjagend lief en behulpzaam zijn. De wat avontuurlijkere exemplaren onder het kindvolk, die het kind-zijn tot een missie heeft uitgeroepen en her en der wat kattenkwaad verspreidt, krijgt volgens de overlevering dus geen cadeau’s. Maar ook dié kinderen krijgen op 5 december een muffige juten zak vol te dure presentjes.

En geen kind krijgt kennelijk de ingeving dat het dus eigenlijk geen pepernoot uitmaakt of je lief bent of niet: op Pakjesavond gaat die lieve Sint ook niet jóuw huisje voorbij. Ook de duivelse, onuitstaanbare, gemene, pesterige, druilerige kinderen krijgen hun deel van de Pakjesvoorraad op de Pakjesboot.
En geen kind komt op het lumineuze idee die theorie eens te testen. Er staat geen splinterbeweging van 5-jarigen op, die jennen, jokken en jatten zoals ze dat in de zomermaanden ook deden. Puur om te laten zien aan de goedgelovigen dat het geen nut heeft om te hielenlikken, te slijmen en het Heilige Boontje te spelen om op 5 december die stinkende zak vol cadeautjes te incasseren.
En geen ouder brengt op 6 december de inhoud van die zak weer terug naar de winkel, omdat het kind die cadeautjes niet verdiend heeft. Geen ouder zet de dreigementen door, geen ouder onthoudt het kroost, dat toch zó lief (en zo vals) zit te zingen voor de centrale verwarming en onderwijl het jongere zusje knijpt, de cadeautjes. Geen ouder wil te boek staan als die gemenerd die zijn kinderen geen dure cadeau’s gunt.

De kinderen worden voorgelogen over de herkomst van de cadeautjes die op 5 december zo rijkelijk uit menig jute zak vallen. En de ouders worden voorgelogen over de herkomst van die cadeautjes. Made In China betekent niet dat die Nintendo DS in een fleurig fabriekje in een Chinese buitenwijk is gefrabriceerd, waar die Chinezen lieflijke liedjes zingen, terwijl ze op hun gemakje de DS in elkaar schroeven.
En wéér trappen we in die speciale aanbiedingen in de vaderlandse speelgoedwinkels, terwijl die aanbiedingsprijs in werkelijkheid vele euro’s bóven de reguliere prijzen ligt. Kindlief wil die Nintendo DS graag hebben, dus mamma… eh, ik bedoel: Sinterklaas… telt er lustig vele tientallen euro’s extra voor neer. We kopen ons scheel aan pepernoten, die al máánden in de schappen in de supermarkt liggen. We raken zo lekker in de feeststemming als de winkelstraten al begin november uitgedost worden met lampjes, springende Zwarte Pieten en op iedere straathoek een hulp-Sinterklaas.

Dus wie zijn nu de grootste KapOentjes? De goedgelovige kindjes, die zich als makke schaapjes laten misleiden, voorliegen en besodemieteren? Of de goedgelovige ouders, die zich als makke schaapjes laten misleiden, voorliegen en besodemieteren?

 

Koud kunstje

“’s Winters is het pas koud.” Helaas niet zelden wordt deze constatering gevolgd door een bloemlezing over copulerende ijsberen, daarbij gebruikmakend van wollen voorbehoedsmiddelen. Maar daarover zal ik verder niet uitwijden, aangezien ik pretendeer een beschaafd blog te schrijven.
Enfin, in de winter is het dus pas koud. Mensen refereren aan deze constatering wanneer een gesprekspartner aangeeft de buitentemperatuur niet aangenaam te vinden. Soms waagt men zich zelfs nog aan een uitspraak over kindertjes in Afrika, die niet beschikken over donzige jassen en gewatteerde schoenen. Over de doordachtheid van deze uitspraak kun je overigens nog discussieren, aangezien de jeugd op het Afrikaanse continent zelden behoefte heeft aan koudewerende kleding, maar dergelijk voor de hand liggend commentaar laat ik maar even buiten beschouwing. Immers, koude heeft niet altijd met temperatuur te maken.

Hoe koud ben je als grote, stoere vent als je de oudere medemens overvalt, belaagt, molesteert en zelfs voor dood achterlaat in hun eigen huis?
Hoe koud ben je als mens als je anderen berooft van hun zuurverdiende centjes door oplichting en bedrog? Fraude met toelagen, persoonsgebonden budgetten; hier geldt weer eens te meer dat de slechten het voor de goeden verpesten.

En hoe koud ben je als overheid als je je bezuinigingsplannen wéér toespitst op de zwakkeren van de samenleving? Wéér zijn de gehandicapten de klos. Het klínkt allemaal erg mooi: we moeten de zorgsamenleving verruilen voor een participatiesamenleving. We moeten allemaal ons steentje bijdragen; een boodschapje doen voor een zieke buurvrouw, het gazon van een minder valide oom maaien, een sopdoekje door de badkamer van een bejaarde tante halen.
De gehandicapten leveren niet alleen lichamelijk in, maar ook financieel vindt er wéér een kaalslag plaats. Méér taken verschuiven van de overheid naar de gemeentes. En die gemeentes moeten méér bezuinigen. Hoe zal dat eraan toegaan tijdens de gemeenteraad? “We hebben nog een paar tientjes te besteden. Zullen we een rolstoel voor meneer Jansen aanschaffen of toch maar de zebrapaden van een nieuw likje verf voorzien? Stemmen?”
Gemeentes hebben alleen nog budget om alleen de écht schrijnende gevallen te helpen. Er worden inkomenschecks uitgevoerd en wanneer je méér dan een X-bedrag verdient, moet je hulpmiddelen zelf betalen. Dat voelt voor veel gehandicapten verkeerd. Ze hebben hard gestudeerd en gewerkt, waardoor ze een bij die inzet passend inkomen hebben. En ze hebben hun levensstandaard op dat inkomen ingericht: een hypotheek, een auto, etc. Ze betalen ook belastingen en premies die bij die levensstandaard passen. Maar wanneer ze gehandicapt zijn/raken kunnen ze nóg een keer betalen voor de hulpmiddelen, waar ze al premies en belastingen voor betaald hebben.
Niet iedere gehandicapte heeft een familielid om dat sopdoekje door de badkuip te halen of een vriendelijke buurvrouw die af en toe een pak melk meeneemt. Veel gehandicapten zijn op zichzelf – en daarmee hulp van buitenaf – aangewezen.
Mantelzorgers verzorgen vaak niet alleen hun zieke partner, maar ook hun dementerende ouder(s). Toch wordt de mantelzorger voor de zieke partner apart gezien van de mantelzorger voor de dementerende ouder. Er schort nog veel aan de regeltjes in de maatschappij, maar de overheid zwijgt in alle talen over hoe zij hierin participeert.

Het is moeilijk te rijmen dat we miljarden uitgeven aan gevechtsvliegtuigen, maar de onderdelen van de luchtmacht, die het onderhoud van die vliegtuigen moet gaan uitvoeren, wegbezuinigen. Toegegeven, we zullen die JSF’s wel nodig hebben. Om politieke redenen, om veiligheidsredenen. Maar tegelijkertijd moeten we miljarden bezuinigen op de zorg en laten we hele bevolkingsgroepen in de kou staan.
Zo zie je maar, die participatiemaatschappij is nog geen koud kunstje. Of wel?

 

 

 

Opmerkelijk uitdrukkelijk

We kennen allemaal de uitdrukking “life’s a bitch and then you die”. Vrij vertaald houdt het in dat je je hele leven een gigantische bak stinkende, misselijkmakende smurrie over je heen krijgt. En wanneer je even een momentje vindt om de dampende drab uit je haren te peuteren, krijg je weer een verse lading drek-met-brokken over je heen gegoten.
Tot je een langzame en pijnlijke dood sterft.

Een ander veel gebruikte uitdrukking is “je krijgt wat je verdient”. Dat moet dan in een vorig leven zijn gebeurd, want ik kan me niets voorstellen uit dít leven waardoor we zouden verdienen wat we gekregen hebben. Natuurlijk, ik heb wel eens een leugentje om bestwil verteld, maar het enige dat ik ooit gestolen heb, is het hart van mijn vrouw. Maar in dat vorige leven ben ik kennelijk iemand als Adolf Hitler geweest en mijn lieftallige echtgenote was klaarblijkelijk de equivalent van Eva Braun.
Gelukkig wordt deze uitdrukking vaak in een andere context gebruikt, want ik zou behoorlijk geraakt zijn als men zoiets welgemeend en gericht zou zeggen. Een opmerking die overigens beantwoord zal worden op een wijze waarop de betreffende uitdrukking ineens wél op dít leven zou slaan…

Op eenzame hoogte op een absolute eerste plaats in onze Top 10 van Idiote Opmerkingen staat de dooddoener “je krijgt wat je aankunt”. Natuurlijk, de ene mens kan méér aan dan de andere. En de hoeveelheid die je aankunt, is afhankelijk van het soort leven dat je leidt. Waar ben je geboren? Waar groei je op? Zo denk ik dat de mensen in – ik noem maar een oord – Syrië op dit moment noodgedwongen heel veel aankunnen.
Je krijgt wat je aankunt. Er schuilt wel een bepaalde ironie in zo’n opmerking. Aan de ene kant kun je het als compliment zien. De hoeveelheid ellende op jouw bordje is zó groot dat alleen jíj sterk genoeg bent om het aan te kunnen. Maar aan de andere kant is het ook van zo’n stompzinnige eenvoud, dat het bijna lachwekkend is.
Je krijgt wat je aankunt. Logisch, want zodra je het niet meer aankunt, stort je in en kun je niets meer aan. Met andere woorden: zodra je het niet meer aankunt, krijg je er niets meer bij, maar tot die tijd stapelen we de ellende vrolijk op je schouders.
Maar wat als je het niet meer aankunt? Houdt het stapelen van de ellende dan automatisch op? En worden de sterke mensen gestraft voor hun kracht met nog méér ellende? Is het niet eerlijker om de kracht, maar ook de ellende evenredig te verdelen onder de mensheid?

Kun je zelf bepalen dat jouw bordje vol ligt? Kun je zelf bepalen hoeveel shit jij over je heen krijgt? Kun je zelf bepalen welke dingen je raken en welk deel van het spervuur langs je heen gaat?
Het leven is geen Venz-hagelbuitje, waarbij je luidkeels “ho maar!” kunt roepen, waarna de stroom slijmerige derrie direct ophoudt.
Life’s a bitch and then you die.” Misschien is het een cynische uitdrukking. Misschien is het de waarheid. Misschien is het één waarheid. Je kunt misschien de koers van de derrie een beetje beïnvloeden. Je kunt misschien zelfs de stank van de derrie wat verbloemen. Je kunt misschien zélfs de vlekken verdoezelen die de derrie achterlaat.
En daarmee bepaal je in zekere zin wat je aankunt.

 

 

Curveball

Over een paar dagen zijn mijn lieftallige echtgenote en ik zes jaar getrouwd. Het was een mooie, rustige plechtigheid. Geen poespas, passend bij de karakters van de bruid en bruidegom. Een select gezelschap, een schitterende locatie.
De perfecte manier om de perfecte rest van ons perfecte leventje in te luiden. How little did we know then…

We hadden het allemaal uitgestippeld: huisje-boompje-beestje, 2,3 kids, een druk sociaal leven. We hadden onze levensfasen gepland, onze toekomst helder voor ogen. We wisten wat we wilden en hoe we het gingen aanpakken. Ons leven lag voor ons; we hoefden het alleen maar met beide handen vast te grijpen, onze tanden erin te zetten en onszelf er omheen te wikkelen.
Wel, kregen wij even een curveball onze kant op gemikt.

Voor de minder sportief aangelegden onder ons: bij honkbal gooit de werper (pitcher) van team A een curveball naar de slagman van team B, wanneer de bal een bepaalde draaibeweging maakt, waardoor deze een verrassende koers maakt en door de slagman moeilijker te raken is.
Daar waar we vroeger de bal vrolijk lachend met een sierlijke boog of geamuseerd fronsend loeihard het stadion uit sloegen, moeten we nu nadenken over elke slag. Achteloos de bal een zwieper geven is er niet meer bij. Voor iedere bal moeten we een nieuwe strategie bedenken. We moeten nadenken over hoe hard we de bal slaan, onder welke hoek, met welke boog en waar we hem laten landen. En soms slaan we de bal mis.

Binnenkort is het zes jaar geleden dat mijn vrouw en ik elkaar het ja-woord gaven. Het is een cliché, maar wat kan je leven in zes jaar veranderen. Onze kinderwens vergruizelde. Na de zoveelste miskraam besloten we kinderloos door het leven te gaan. We riepen een forse dosis flexibiliteit aan en begonnen ijverig te bouwen aan een bestaan voor onszelf, de kinderloosheid daarbij als een van de pilaren gebruikend; die maakt immers een onmiskenbaar deel uit van ons leven.
Tweeënhalf jaar geleden kreeg ik de diagnose MS. Na twintig jaar hard werken was de tijd rijp om te gaan oogsten wat ik al die tijd gezaaid had. Maar in plaats daarvan moesten we de koers weer bijstellen. Ik raakte mijn werk zelfs helemáál kwijt en werd 100% afgekeurd.
Het laatste – of beter: meest recente – wapenfeit is de diagnose ‘Parkinson Dementie’ van mijn schoonvader. De beste man zou honderd jaar oud worden, beweerde hij jarenlang. Inmiddels moeten we blij zijn als hij in enigszins bewuste toestand de vijfenzeventig haalt. Wéér moeten we een plan de campagne verzinnen om te leren om te gaan met deze curveball. Maar hoe kun je omgaan met een curveball die constant een andere draaiing maakt, een andere kant op schiet?

Je zult het natuurlijk nooit weten. Professor Barabas en zijn Teletijdmachine zijn slechts fictie. Maar hoe zal het leven eruit hebben gezien als onze zwangerschappen niét vroegtijdig waren afgebroken, als ik niét ziek was geworden, als mijn schoonvader niét dement zou worden? Dan was onze oudste nu een jaar of zes geweest. En wellicht hadden we een jonger kind van vier gehad. Dan waren we druk geweest met kinderopvang, werk, buitenschoolse activiteiten, sport, familie, vrienden. De wederzijdse opa’s en oma’s vochten om het logeerrecht met de kleintjes.
Het leven kent helaas geen ‘do-overs‘, geen herkansingen. Je kunt niet terug in de tijd om linksaf te slaan waar je nu rechtsaf bent gegaan. Je probeert vol goede moed de ene na de andere bal het stadion uit te meppen, maar soms zit er een curveball tussen. En af en toe heb je geluk en sla je ook dié vrolijk lachend met een sierlijke boog of geamuseerd fronsend loeihard het stadion uit.

 

’n Héleboel terriër

In mijn vorige blog maakte ik vol trots wereldkundig dat ons gezin zou worden uitgebreid met een Bull Terriër. We wisten dat het een boel terriër was en dat we onze handen vol zouden krijgen aan hem. Maar het was een weloverwogen beslissing om hem in huis te nemen.
Alles was in gereedheid gebracht. Een mand sierde prominent onze huiskamer, onze auto was voorzien van de broodnodige ventilatie, een bench stond strategisch opgesteld in de proviandkamer. In afwachting van onze gezinsuitbreiding hebben we de viervoeter een naam toebedeeld: Keo.
Alle breekbare snuisterijen hadden een hoge (lees: veilige) bestemming gekregen en ook onze kat kreeg, gedurende de gewenningsperiode een heenkomen in een afgesloten logeerkamer, tot beide huisgenoten aan elkaars gezelschap gewend waren.

Eerder genoemde weloverwogen beslissing was mede gebaseerd op de meervoudige garantie van de fokster dat de hond rustig was, niet aan de riem trok en katten links liet liggen. Gesterkt door die gedachte gingen we het avontuur aan.
We haalden Keo op en verwelkomden hem in ons gezin. De thuisrit bracht hij in zijn bench in de auto door, zich in opperste tevredenheid in zijn oude en nieuwe kleden wikkelend. Hij leek zelfs te glimlachen, al staat op de snuit van een Bull Terriër een permanente glimlach.

Thuis begon hij te hijgen. We wijtten zijn gedrag aan het warme weer, de toch wel lange reis, de spanning. In haar beste bedoelingen begroette een buurvrouw hem en in zijn enthousiasme trok Keo me over het gras. Het begin van een reeks trek-de-baas-door-het-gras-sessies.
Naarmate de avond vorderde werden de blikken van wanhoop en ontreddering steeds veelvuldiger. Aan het, enigszins geforceerde, einde van de laatste avondwandeling keken we elkaar aan en zuchtten: “waar zijn we aan begonnen?”
In tegenstelling tot zowel de fokster als de herplaatsingscoördinator ons hadden verzekerd trok Keo wél aan de riem, ging hij wél achter katten aan en was hij verre van rustig. De spreekwoordelijke druppel was een op het nippertje af te wenden moordaanslag van Keo op onze nietsvermoedende kat.

Na een slapeloze nacht en een in alle opzichten ontwrichtende ochtendwandeling heb ik de fokster opgebeld en nog diezelfde ochtend is Keo naar zijn vriendjes in de kennel terug gegaan. Voor hem was het slechts een kortdurend logeerpartijtje. Toch maakte dit logeerpartijtje voor ons pijnlijk duidelijk dat een dergelijke hond een héleboel terriër is en dat dit voor ons niet (meer) is weggelegd. Keo is een prachtige hond van perfecte proporties… voor een Bull Terriër, niet voor een huishond voor ons. Ruim 35kg pure spieren, overgoten met een sausje van ongeremd enthousiasme in combinatie met onbevangen nieuwsgierigheid. Alles was leuk, interessant en uitdagend voor hem; de vlinders in de bermbloemen, de schapen in de wei, de joggers op het voetpad, andere honden op het uitlaatveld en in (niet geheel onterechte) doodsangst wegvluchtende buurtkatten.
Nu kon ik nog redelijk lopen, dus het lukte me redelijk om me staande te houden. Hierdoor konden asfaltschraappartijen en grasduiksessies tot een minimum gereduceerd worden. Maar op mindere dagen ben ik gebonden aan een rolstoel of andere loophulpmiddelen; middelen waar Keo zonder pardon gehakt van gemaakt zou hebben. In mijn werkzame leven managede ik projecten, maar een ongeleid projectiel was ook voor mij te hoog gegrepen.

Na één dag de toch wel trotse baasjes van Keo geweest te zijn – welgeteld nog geen 24 uur – moesten we onze nederlaag toegeven. En hoewel het een verstandsbesluit is geweest, maar ook de enige te nemen beslissing, voelt het als een knieval.
Een knieval naar mijn MS, die toch méér van mij snoept dan ik (ook naar mezelf toe) wil toegeven.
Een knieval naar het leven, waar we met de beslissing Keo in ons midden op te nemen toch een dikke neus naar hadden.
Héél even maakte Keo deel uit van ons gezin. Héél even hoorde hij erbij. En hoewel zijn vertrek als een knieval voelde, hadden we geen keus. Een knieval of een val op de knieën.

 

’n Boel terriër

Mijn lieftallige echtgenote en ik hebben besloten een hond aan te schaffen. Al sinds mensenheugenis (de jaartelling is immers pas begonnen toen wij elkaar leerden kennen) willen we een hond, maar telkens hadden we een gegronde redenen waarom het niet kon.
“We werken allebei fulltime.”
“De kat ziet een hond in huis niet zitten.”
“Zo’n hond beperkt je in je bewegingsvrijheid.”
Ieder denkbaar excuus heeft wel de revue gepasseerd. Dus werd het hondenplan op de lange baan geschoven. Maar inmiddels ziet ons leven er anders uit. Ik ben fulltime thuis. In mijn drukke schema van boodschappen halen, de wasmachine aanslingeren en úren TellSell kijken, kan ik vast wel een paar minuutjes sprokkelen om een hond uit te laten.
De kat leeft al jaren in reserve-tijd en met hoe het zit met die bewegingsvrijheid is inmiddels ook oude koek. Daarmee zijn onze excuses wel overboord.

Onze gezinsuitbreiding is geen schoothondje. Ook de stichting Hulphond Nederland zal hem niet in de gelederen opnemen. Onze viervoeter is een Engelse Bull Terriër. Een reu van aanzienlijke proporties. Een hond met statuur, zogezegd.
Wie bij het horen van de merknaam Bull Terriër de vergelijking trekt met de Pittbull of – erger nog – begint over weerhaken in de tanden en de honds vermeende capaciteit om door een betonnen muur heen te rammen, krijgt de hond achter zich aan. Een Bull Terriër is een krachtige hond, en ja, slecht opgevoed maakt hij gehakt van vrijwel iedere Fifi op de aardkloot. Maar een slecht opgevoede, en daarmee beschadigde, hond van willekeurig welk ras is een ongeleid projectiel.
Bull Terriërs zijn bewezen de meest geschikte honden voor gezinnen met kleine kinderen. Ze zijn leergierig, lief en zachtaardig. En ze hebben een zeer hoge pijngrens, wat een pré is in gezinnen met onderzoekende kinderen.
Zoals gezegd, je hebt wilde en recalcitrante Bull Terriërs, maar eveneens bewezen is dat het zogenaamd kindvriendelijke ras Golden Retreiver méér bijtgrage exemplaren kent.

Toegegeven, een Bull Terriër is wellicht niet de meest voor de hand liggende keuze voor een hond als je het feit in ogenschouw neemt dat ik gezegend ben met MS. Ik ben niet behept met de meest uitgekristalliseerde balans ter wereld. Een enthousiaste hond trekt me over straat (geachte lezer, gelieve dit niét te visualiseren…), laat me iedere hoek van het uitlaatveld zien en gaat daarna moe, maar voldaan, op me liggen.
We moeten daarom een exemplaar hebben dat leerbaar is, die niét trekt en zijn wilde haren kwijt is. En dat lijstje konden we met onze Keo compleet afvinken. Hij voldoet aan onze eisen, heeft het toelatingsexamen doorstaan en zal aan een nadere inburgeringscursus onderworpen worden. Hij is lief, rustig en terughoudend. Hij trekt niet aan de riem, volgt commando’s in rap tempo op en leert sneller dan de gemiddelde student Hogere Wiskunde. Dat hij daarnaast van een ongekende schoonheid is, is een bijkomend plusje.

Het is een ambitieuze onderneming om progressieve MS te combineren met een Bull Terriër. Maar wie ons kent, weet dat we ambitieuze ondernemingen niet aangaan zonder gedegen onderzoek. We weten waar we aan beginnen, hebben de pro’s en con’s tegen elkaar afgewogen en na rijp beraad hebben we besloten head first in dit avontuur te duiken.
Een hond betekent verantwoordelijkheden, verplichtingen. Je hebt de zorg over een dier, dat zonder jouw verzorging jammerlijk aan zijn lot is overgelaten. Je moet de deur uit, je moet opstaan; zo’n dier heeft weinig tot géén boodschap aan het feit dat jij toevallig een slechte dag hebt. Hij moet uitgelaten worden, plassen en eten. En daar moet jij voor zorgen. Voor mij betekent dat echter een stok achter de deur om op die slechte dagen tóch mijn bed uit te komen, mijn kont op te lichten van de bank en naar buiten te gaan. “Vandaag even niet,” is er niet meer bij. En smoesjes verliezen iedere waarde als zo’n dier met gekruiste achterpootjes en samengeknepen billen voor de deur staat en je piepend laat weten dat hij toch écht even naar buiten moet.

De afgelopen jaren heeft die MS ons veel ontnomen. Maar het brengt nu wel een lang gekoesterde wens in vervulling. Eindelijk kunnen we onze droom verwezenlijken. Natuurlijk, het is een boel Terriër, maar het geeft ook een boel vreugde. En daar kunnen we ’n heleBull van hebben.

 

Presentatie vs prestatie

Hoe presenteer je je als je een handicap hebt en bijvoorbeeld vrijwilligerswerk wilt gaan doen? Het voelt als een sollicitatie en je wilt je beste beentje vóór zetten. Maar wat als dat nu juist het probleem is; wat als je benen niet goed of soms zelfs helemáál niet werken? Presenteer je je dan als gehandicapte? Haakt een sollicitatiecommissie niet direct af bij het woord ‘gehandicapt’?
Wat als je MS-patiënt bent? Noem je jezelf dan ‘energie-uitgedaagd’? Een uitdaging is het zeker wanneer je niet weet of je energie voor 1, 2 of zelfs 4 uur non-stop werk hebt?

Het UWV meende dat er voor mij Geen Benutbare Mogelijkheden zijn. Ze hebben er zelfs een afkorting voor: GBM. Een aantekening in je dossier: GBM. Nog nét niet rood omlijnd. Het houdt in dat je volledig afgekeurd bent. Maar zeg je dat bij een aanmelding voor vrijwilligerswerk? Je hebt het stempel ‘afgekeurd’ immers niet voor niets gekregen. Een keuringsarts van het UWV heeft gevonden dat jij op geen enkele manier nog werk kunt verrichten, dus wie ben jij om dan te beweren dat je wél geschikt bent voor vrijwilligerswerk?

In mijn geval is MS de boosdoener. Ik ben zo’n ‘energie-uitgedaagde’. Op goede dagen kan ik de wereld aan; op mindere dagen lig ik voor pampus op de bank en is zelfs een toiletbezoek een hele onderneming. Dat maakt mijn betrouwbaarheid voor organisaties nihil.
Maar hoewel ik lichamelijke beperkingen heb – ik kan het ontkennen, maar mijn stok en/of rolstoel spreekt boekdelen – ben ik tussen de oren nog aardig bij de les. Ik heb ervaring, kennis en kunde, zoals dat zo mooi heet. En ondanks die lichamelijke beperkingen is die ervaring, kennis en kunde niet verdwenen. Ik kan er veel waardevols mee betekenen voor organisaties en instellingen.
Maar dat brengt me weer terug bij de hamvraag: hoe presenteer ik me?

Wat vertel je in een eerste contact? Wat geef je prijs? Leg je meteen alle kaarten op tafel of wil je ze eerst voor je winnen en dan met die MS-kaart om de oren slaan?
En hoe reageer je als die MS-kaart geen issue is? Je kunt je wapenen tegen negatieve reacties, hele wat-áls-scenario’s voorbereiden. Maar wat als men juist heel positief reageert? Hebben ze dan wel door wat je beperking inhoudt? Kom je dan later niet voor betrouwbaarheidsvraagstukken te staan? Was het dan niet beter geweest om vanaf het begin helder te zijn over je beperking? Maar dan heb je meteen weer een ander probleem te pakken: je wéét niet wat de MS voor je betekent. De ene dag houd je iets úren vol en de volgende keer moet je na een half uurtje de pijp aan Maarten geven. Hoe leg je dat uit?

Hoe verschijn je ten tonele? Strak in het pak of casual? Vrijetijdskleding of driedelig-grijs? Koste wat het kost lópend of juist in je rolstoel, zodat het achteraf alleen maar mee kan vallen?
Sla je slimme taal uit, gooi je meteen al je geweldige ideeën op tafel? Of presenteer je je terughoudend en laat je hén met ideeën komen?

Nog niet zo lang geleden functioneerde ik op relatief hoog niveau. Mijn werkcontacten wisselden tussen academici en facilitair medewerkers. Het kwam voor dat ik ’s ochtends een vergadering had met de Raad van Bestuur van een groot academisch medisch centrum, om vervolgens ’s middags aan te schuiven bij een overleg bij een scholengemeenschap.
In mijn hoofd ben ik nog steeds die high-end projectmanager. En beschik ik nog steeds over die talenten; talenten waar ik graag (vrijwilligers)organisaties van wil laten profiteren. Maar die talenten worden af en toe ondergedompeld in een brei van beperkingen, vermoeidheid en depressie.
Presenteer ik die talenten of licht ik direct een tipje van die brei-sluier op? Wek je met het benoemen van die talenten geen verwachtingen die je misschien niet waar kunt maken? Schrik je mensen niet juist af door open kaart te spelen? Waar ligt die gulden middenweg tussen jezelf verkopen en jezelf laten zien zoals je bent?

Eén ding is duidelijk: jezelf goed presenteren is nog een hele prestatie.

De meeste dromen zijn bedrog

Iedereen heeft dromen. Dromen over de liefde. Dromen over rijkdommen. Dromen over je rol in het leven. Kinderdromen over vliegen op de vleugels van mystieke wezens. Jeugddromen over grote huizen, snelle auto’s, het leven in één grote actiefilm. Dromen als jong volwassene over het vinden van de ideale partner. Huisje-boompje-beestje.
Ook mijn dromen waren talrijk. Het meest prachtige huis, een schitterend wagenpark. En al die pracht en praal kon ik in latere dromen delen met de ideale vrouw. Er kwamen de spreekwoordelijke 2,3 kinderen. Een mooie, liefdevolle vrouw. Bloedjes van kinderen. Een fijne baan, een mooi huis, een blitse wagen.

Gaandeweg de jaren werden de dromen ook bijgesteld. De villa in het bos en de flitsende sportwagen werden in Dromenland ingeruild voor een burgerlijk rijtjeshuis en degelijke gezinsauto. Stickertjes op de achterramen van die gezinsauto. Speelgoed op de oprit. Kinderstemmen uit de boomhut. Maar die droom spatte als een zeepbel uit elkaar. De bloedjes van kinderen kwamen er niet.

Van de dromen die ooit de revue passeerden kwam alleen die over de ideale partner uit. Samen met mijn lieftallige echtgenote wilden we het heft in eigen hand nemen en onze eigen droom creëren. We kochten ons droomhuis; een split-level dijkwoning aan de uiterwaarden van de Rijn.
Helaas veranderde die droom in een nachtmerrie. Kort na de ondertekening van de koopovereenkomst voor ons droomhuis kreeg ik de diagnose MS. Een diagnose die het split-level droomhuis in een ander daglicht stelde. Vijf woonlagen, vier trappen en een lijf dat zich – voorzichtig uitgedrukt – ietwat vijandig opstelt tegen het trappenlopen.
Zo verandert je droomhuis langzaam in een kerker uit de krochten van je meest duistere nachtmerries.

In een korte tijd gingen er twee belangrijke dromen in rook op. Onze kinderwens vergruizelde voor onze ogen en als bonus verbrokkelt mijn gezondheid stuk voor stuk.
Onze bloedjes van kinderen leven alleen in onze fantasie. Geen degelijke gezinsauto met stickertjes op de achterruiten. Geen speelgoed op de oprit. Geen kinderstemmetjes uit de boomhut.
We worden continu gefronteerd met de gevolgen van mijn ziekte. Geen leuke uitstapjes in de weekends. Geen bevredigende baan met een gestaag groeiend inkomen. Geen gedeelde taakverdeling in het huishouden.

We zijn – op veel fronten tegen wil en dank – flexibel geworden. We laten ons door de flipperkast van het leven heen en weer stuiteren, her en der een dappere poging wagend onze koers enigszins te wijzigen. Soms falen we verschrikkelijk, soms slagen we in onze pogingen. Af en toe lukt het om het heft weer in eigen hand te nemen, soms snijden we ons diep aan het lemmet.
Hoewel we regelmatig geplaagd worden door de meest levensechte nachtmerries, durven we niet meer te dromen. De meeste dromen zijn immers bedrog.

Het Zwarte Gat

Ieder huis heeft een Zwart Gat. Je kent dat wel. Je bent er heilig van overtuigd een bepaalde CD op tafel te hebben gelegd, maar hij ligt er niet meer. Die sjaal hangt niet meer waar jij ‘m achtergelaten hebt. Verdwenen in het Zwarte Gat.

Tijdschriften verdwijnen steevast in het Zwarte Gat. Maar het Zwarte Gat heeft ook een onweerstaanbare aantrekkingskracht op kledingstukken. En niet alleen de kleinere kledingstukken, zoals sokken of ondergoed, zijn gevoelig voor de zuigende werking van het Zwarte Gat; complete broeken, truien en zelfs jassen vallen ten prooi aan het Zwarte Gat.

Met onze verhuizing hoopten wij het Zwarte Gat achtergelaten te hebben. Maar dit huis heeft óók een Zwart Gat. Óf het Zwarte Gat is in één van de verhuisdozen meegesmokkeld, als een onverschrokken verstekeling, strak van plan om ons in het nieuwe huis weer de nodige wanhopige momenten te bezorgen, vol vertwijfeling achter onze oren krabbend.

Het Zwarte Gat spuwt af & toe spullen uit. Dan ligt die ene CD ineens op een bijzettafeltje en hangt die sjaal plotseling over een stoel. Het Zwarte Gat heeft de neiging artikelen te laten verschijnen wáár en wannéér je dat het minste verwacht.

Op kwade dagen vermoed ik het bestaan van een Groot Zwart Gat Complot. Een organisatie vol heimelijk achter het Zwarte Gat zittende wezens, die ons gniffelend gade slaan, terwijl wij weer eens iets kwijt zijn of wanneer iets op miraculeuze wijze verschijnt.
Er moét ook wel een soort hogere macht zijn, die ons spullen laat kwijtraken. Want het kan uiteraard niet aan onze chaotische slordigheid of onverbeterlijke vergeetachtigheid liggen. Er moét ‘iets’ zijn dat ons vrijplijt van eigen verantwoordelijkheid in het nimmer afnemende bestaan van het Zwarte Gat. Tenzij die verantwoordelijkheid ook in het Zwarte Gat ligt en af & toe uitgespuwd wordt. Maar dan gooien we dat met een onschuldig gezicht terug en blijven het Zwarte Gat de schuld geven. Daar is het tenslotte een Zwart Gat voor.

Relativiteitstheorie

Onlangs vertelde een ex-collega me dat zijn vrouw darmkanker heeft met uitzaaiingen naar de lever. Je hoeft geen Einstein te zijn om te weten waar dat toe leidt. Het nieuws schokte me. Ik heb geruime tijd met de man samengewerkt en ik ken zijn vrouw een beetje. Hun kinderen naderen de leeftijd van het uit huis gaan, waarna hun tweede leven zou beginnen. Een leven wat nu op losse schroeven staat.
Je leert door zoiets te relativeren. Okee, je hebt MS, je kunt niet meer werken, je hebt een lijst klachten waar Vinger aan de Pols een heel seizoen aan zou kunnen wijden, maar je lééft.

We wonen schitterend aan een dijk, letterlijk op de grens tussen de lieflijke Betuwe en prachtige Veluwe. We hebben het huis gekocht vóór ik de diagnose MS kreeg en we zijn er nog steeds trots op. Maar het heeft 5 woonlagen, 4 trappen. Niet bepaald de ideale woning voor iemand die niet al te fris meer loopt. We weten dat het niet lang meer zal duren vóór we dit huis moeten inruilen voor een gelijkvloerse woning. Een appartement of een bungalow zal een slag minder zijn dan ons huidige paleis, maar het biedt toch ook weer perspectieven.

Als autofreak wil ik natuurlijk liefst de beste, snelste, meest luxe auto rijden. Maar werken zit er niet meer in, dus die blinkende lease-bolide zal altijd een utopie blijven. En zonder donatie van de Staatsloterij zit een bezoekje-met-aankoopresultaat aan de showroom van de lokale Mercedes dealer er niet in. Maar we hebben een donatie van het oudersfonds gehad in de vorm van een kekke Toyota Aygo. Het is een klein wagentje; minimale luxe en minimale ruimte. Maar het is óns kleine wagentje. Hij brengt ons van A naar B (vaak nog via C en D ook) en is erg bescheiden bij de benzinepomp. Wij zijn gek met ons karretje.

Ieder huisje heeft zijn kruisje en ook bij ons vliegen de kruisjes in groten getale over tafel. Ziektes, scheidingen, rampspoed in alle vormen en gradaties; onze omgeving blijft er niet van verschoond. Sommige kruisjes worden op slinkse wijze over de schutting gegooid, andere kruisjes worden gericht op ons afgevuurd.
Maar omdat we onze eigen relativiteitstheorie hebben ontwikkeld, komt niet alles meer aan. We hebben een manier gevonden om sommige kruisjes te relativeren. Noodgedwongen, beurs geslagen door veel kruisjes. Wanneer je onder een constant spervuur – zowel van binnenuit als van buitenaf – ligt, moet je prioriteiten stellen, kruisjes afwegen, ze inschatten op waarde, dreiging en realiteit. Een aantal kruisjes kaatst af op het relativiteitsschild, een paar klampt zich eraan vast en soms weet er een kruisje door het schild te kruipen.
Natuurlijk, op veel fronten is het nog slechts een theorie, die in de praktijk nog verfijnd, bijgeschaafd, geperfectioneerd moet worden. En wie weet lukt het ons nooit om de theorie echt 100% in praktijk te brengen, maar het begin is er. Relatief prettig wel.